Brandgans (Branta leucopsis)

Deze kleine gans (58 -70 cm) is een opvallende verschijning met zijn korte zwarte snavel in het witte kopje en de donkere vlek rond het oog. Hij heeft een zwarte hals en borst, een lichtgrijze onderkant en donkergrijze rug. De veren op de rug zijn blauwgrijs van kleur en hebben een zwart uiteinde met een smalle witte rand, hierdoor ontstaat op de rug een opvallend patroon van witte en zwarte banden. Van een afstandje lijkt het geluid van brandganzen op het geblaf van een troep kleine hondjes, een snel herhaald, kort gakkend geluid. Vooral in vlucht laten ze een luidkeels ‘hogog’ horen.

IMG_brandgans

Trek
Brandganzen trekken in de loop van april en mei naar het noorden. Begin juni arriveren
ze in de broedgebieden. Het komt regelmatig voor dat daar dan nog volop sneeuw en ijs ligt, waardoor de vogels moeten wachten op de dooi voordat ze kunnen beginnen met broeden. Na het grootbrengen van de jongen trekken ze vanaf begin augustus al weer naar het zuiden. De eerste wintergasten komen hier rond midden oktober. Vanuit Groenland, Nova Zembla en Spitsbergen overwinteren in Nederland elk jaar ongeveer
150.000 tot 300.000 brandganzen.
Tussen oktober en maart zijn er wel 160.000 exemplaren te vinden in het noorden van Groningen, Friesland, Flevoland en het deltagebied. Van alle ganzensoorten neemt de brandgans het snelst toe.

Trouw
Brandganzen sluiten een huwelijk voor het leven. Ze komen in Nederland voor als doortrekker en wintergast, maar ook als broedvogel. Sinds 1984 broeden (vanuit gevangenschap ontsnapte) brandganzen in Nederland. Deze broedvogels trekken nauwelijks. Hooguit zwerven ze buiten het broedseizoen wat rond. De laatste jaren zijn dat er, verspreid over ons land, ruim 7000. De meeste broedende ganzen worden gevonden in de provincies Gelderland, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland. De
brandgans broedt één keer per jaar, in mei/juni. Er wordt een gevoerd nest gemaakt
op de grond in weilanden, rietkragen en moerasbossen, waarin 4 tot 6 grijswitte eieren worden gelegd, die 24 dagen worden bebroed. De jongen zijn te herkennen aan een doffer verenkleed.

Veren ballen
Ooit dacht men dat de brandgans (ook wel dondergans genoemd) geboren werd uit nat hout of vruchtdragende bomen, omdat niemand ooit een nest had gevonden van dit dier. Op een eiland bij Lancashire (Engeland) is het strand bezaaid met wrakhout en afgebroken takken en aan dit rottende hout hangen duizenden mosselachtige schelpen. In sommige daarvan zouden zachte veren ballen leven, die worden gevoed door zeewater en sap in het hout. Uit sommige open schelpen steken voetjes met vliezen en aan andere hangen gansjes aan hun snavel. Als ze op de grond vallen, rennen ze zo snel mogelijk naar het water. Als de pompoenachtige vruchten opengaan van de bomen die langs de waterkant groeien vallen er ook aan hun snavel hangende dondergansjes uit. Vallen ze op het land, dan sterven ze, vallen ze in zee, dan zwemmen ze ongedeerd
weg.

Grazen
Vroeger zochten brandganzen langs onze kust naar voedsel. Nu hebben ze ontdekt dat het gras bij de boeren in het binnenland ook goed te eten is. Een brandgans verorbert elke dag maar liefst 60.000 hapjes gras. Omdat driekwart elke drie minuten zijn lichaam verlaat, is hij ongeveer zeven uur per dag bezig met grazen. Ze eten ook wel granen, bieten, aardappelen, peulvruchten, en groenten, soms ook week- en schaaldieren.
Brandganzen zoeken ’s avonds het water op om te gaan slapen. Zo kunnen ze in het donker hun vijanden horen aankomen. De ’slaap- en eetkamer’ mag niet meer dan 10 km uit elkaar liggen, anders kost het dagelijks heen en weer vliegen te veel energie.

terug