Kerkuil (Tyto alba)

Uilen fascineren de mens al eeuwenlang. Door hun verborgen leef-wijze, hun haakvormig gekromde snavel, felle ogen en krachtige, van scherpe nagels voorziene tenen, spreken ze sterk tot de verbeelding.

kerkuil

Nestkasten
De kerkuil is een van de zes uilensoorten die in ons land broedt. Kerkuilen kunnen echter zelf geen nest bouwen. Ze leggen de eieren in boomholten. Bij gebrek daaraan zijn ze aangewezen op de mens die nestkasten maakt en op geschikte plekken plaatst. Dit kunnen open veldschuren, zolders en ruïnes zijn, met een vrije aan- en afvliegmogelijkheid. Kerktorens, die vroeger door kerkuilen bevolkt werden zijn nu vaak met gaas ontoegankelijk gemaakt. Dit tegen duiven en kauwen die het ook op die plaatsen voorzien hebben.

Overleven
Kerkuilen vormen een paar voor het leven. Het broedseizoen begint in april. Om de dag wordt een ei gelegd. Afhankelijk van het voedselaanbod worden 3-10 eieren gelegd. Het vrouwtje begint vanaf het eerste of tweede ei met broeden. Het mannetje zorgt in de broedperiode, die 30-34 dagen duurt, voor voldoende voedsel voor het vrouwtje. Doordat meteen met broeden wordt begonnen, komt het eerste uilskuiken veel eerder ter wereld dan het laatste. Is er voedselschaarste dan overleven alleen de grootste en oudste jongen. De zwakkere jonkies kunnen zich bij het voeren niet handhaven en komen van de honger om. In het ergste scenario worden ze door broer(s) of zus(sen) opgegeten.

Snurkgeluiden
Beide ouders zorgen 7-9 weken voor voedsel. In deze steeds drukker wordende periode, gaan pa en ma niet alleen ’s nachts op jacht, maar ook in de schemering. De uilskuikens maken bedelende en langgerekte snurkgeluiden, die vaak al van een afstand te horen zijn. Hun eerste donskleed wordt na 14 dagen vervangen door een tweede donskleed. Dit wordt na acht maanden geruid, waarna het volwassen verenkleed te voorschijn komt.

Broedparen
Uitgevlogen jongen zoeken zo kort mogelijk bij de geboorteplek een territorium. Veel van deze uilen sneuvelen tijdens hun zoektocht in het verkeer. Lukt het wel om een plek te vinden, dan kunnen kerkuilen wel 20 jaar worden. Ongeveer 25 jaar geleden waren er door allerlei oorzaken nog maar 200 broedparen in ons land. Dankzij de hulp van vele vrijwilligers zijn er overal nestkasten opgehangen en werden er in 2007 weer 3000 broedparen geteld, waarmee de kerkuil nu op het aantal van vóór 1963 zit!

Braakballen
Uilen produceren braakballen. Onverteerbare prooidelen worden in de spiermaag samengeperst tot een bal die bij een bepaalde grootte wordt uitgebraakt. In kerkuilenballen, de verse zijn glanzend zwart, vindt u schedeltjes, skeletresten en vervilt (muizen)haar. Doordat kerkuilen weinig zuur maagsap hebben, zijn de botjes in deze ballen minder aangetast dan bij andere uilen. Onderzoek naar de inhoud van honderden braakballen leverde botresten van spits-, bos-, huis-, aard- en rosse woelmuizen op. Dit ligt vooral aan het leefgebied van de kerkuil en kan plaatselijk sterk verschillen.

Geluidstrechter
Om prooi te kunnen bemachtigen is het van belang dat dit zo geruisloos mogelijk gebeurt. Daarvoor zijn uilen uitgerust met fijne franje aan de veren. Bovendien kunnen uilen uitstekend horen. De ooropeningen zitten aan de zijkant van de kop en zijn asymmetrisch ingeplant; met een ietsje hoogteverschil. Hierdoor bereikt het geluid het ene oor een fractie eerder dan het andere oor. Dit minieme verschil is voor de uil voldoende om de plaats van de prooi nauwkeurig te bepalen. Het grote, bij de kerkuil hartvormige, afgeplatte gezicht functioneert daarbij als geluidstrechter.

terug