Wespspin (Argiope bruennichi)

De wespspin, ook wel tijgerspin genoemd, komt vanaf 1980 in ons land voor.
Eerst in het zuiden, waarna de opmars richting noorden begon. Nu komt hij in heel Nederland voor; niet alleen in natuurgebieden, maar ook in tuinen en op boerenerven komt de soort voor. Oorspronkelijk komt deze spinnensoort uit het Middellandse Zeegebied. Wellicht dankzij de minder koude winters en de warme zomers heeft de wespspin zijn leefgebied richting noorden kunnen uitbreiden.

wespspin

Tropische verrassing
De vrouwtjeswespspin heeft opvallende kleuren en is hierdoor met geen enkele andere spinnensoort te verwarren. Haar achterlijf is zwart met geel, soms met wit gestreept. De dwarse strepen hebben een grillig patroon. Het kopborststuk is wat zilvergrijs van kleur. De poten hebben een bruinzwart met gele bandering. Met haar afmetingen van 11 tot 15 mm is ze een markante verschijning die je bijna niet over het hoofd kunt zien. Tegen de
tijd dat ze vol met eitjes zit, is ze nog groter.
Het mannetje is met 4 tot 4,5 mm veel kleiner. Bovendien heeft hij niet zo’n opmerkelijke
kleur als het vrouwtje. Nee, hij is bruin van kleur met twee wat donkerder bruine lengtestrepen op het achterlijf.

De man legt het loodje
De sterke verhalen dat een spinnenmannetje na de paring door het vrouwtje opgegeten
wordt, is vaak overdreven, maar bij de wespspin is dit terecht. Erger nog, tijdens de paring begint het vrouwtje vaak al aan haar partner, hij wordt ingesponnen en daarna opgegeten. Het mannetje voorziet het vrouwtje daarmee van voedsel dat nodig is voor de ontwikkeling van de nakomelingen. En het klinkt luguber, maar beter dit -de eigen soort wordt in stand gehouden- dan ‘gewoon’ te sterven of ten prooi te vallen aan bijvoorbeeld een vogel. Wanneer het mannetje niet wordt opgegeten tijdens de paring,
sterft hij enkele dagen na de paring.

Eicocons
Om de eitjes te beschermen tegen zon, regen en predatoren, maken veel spinnen
soortspecifieke eicocons. Het zijn goede schuilplaatsen die een eigen microklimaat
hebben met een zekere luchtvochtigheid en temperatuur. De wespspin
maakt een grote bruine flaconvormige cocon met een onregelmatig perkamentachtig
oppervlak. Deze wordt enkele decimeters vanaf de grond in de vegetatie gemaakt. Het bovenste deel van de eicocon wordt het eerst gemaakt door een schijf te spinnen en deze naar onderen uit te breiden en zo een ondiepe buis te maken. Het vrouwtje vult deze ondersteboven hangend met de eiermassa die daarna afgedekt wordt met spinsel.
Hier zet ze volgende lagen bruin wordend spinsel op af, waarbij de flaconvorm ontstaat.
Een vrouwtje kan twee tot drie eicocons maken. Dit vindt ongeveer in augustus plaats, een maand na de paring. De eerste cocon die ze maakt is het grootste,
daarna zijn ze kleiner. Als je ooit zo’n cocon hebt gezien en weet hoe groot en stevig deze is, begrijp je dat het veel van haar lichaam moet vergen. Haar lichaamsgrootte is dan ook aanzienlijk afgenomen hierna. De jonge spinnetjes komen na ongeveer een maand uit. Ze verblijven nog tot het volgende voorjaar in de cocon.

Stabilimentum
De wespspin maakt een groot verticaal wielweb. Het centrum van het web wordt
uitgebreid met een warrig wit spinsel. Daarna volgt een gesponnen zigzagband van het centrum naar beneden en naar boven; het stabilimentum. Dit is ook van een opvallend witte kleur. De meningen over het nut van het stabilimentum zijn verdeeld; denkt de een
dat de spin op kop hangend in het web minder opvalt, een ander denkt dat insecten
door het web worden aangetrokken. Het web zit enkele decimeters hoog in de vegetatie, bijvoorbeeld in lang gras en andere ‘rommelige’ vegetatie. De begroeiing rond het web wordt zo bewerkt -deze lijkt wat weggeduwd- dat het web enigszins vrij hangt. Er worden
relatief grote insecten zoals juffers, libellen en sprinkhanen in gevangen.

terug