|
vervolg van Natuur Plus december 2025:
Levenswijze
In tegenstelling tot de boomklever, die gemakkelijk zowel omhoog als omlaag langs de stam beweegt, steunt de boomkruiper op z’n staart als hij omhoog kruipt in een boom. Hij drukt daarbij zijn 12 stijve, gepunte staartveren tegen de schors. Daarom kruipt hij ook niet naar beneden zoals de boomklever, maar vliegt van boom tot boom en landt weer ergens.

Foto: Henk Dikkers
Boomkruipers en spechten (die de steun van vooral de middelste staartveren nodig hebben bij het klimmen) ruien deze centrale staartveren als laatste, nadat alle andere staartveren zijn vervangen.
Biotoop
De boomkruiper leeft overal waar oude bomen zijn. Hij heeft een voorkeur voor eiken, iepen, schietwilgen of populieren. Allemaal boomsoorten met een sterk gegroefde stam.
Hij slaapt in boomspleten, onder dakranden, tussen klimop of in holten in dode bomen of in bomen met een zachte schors. In koude nachten kunnen wel 15 vogels bij elkaar kruipen en zo een donzige (warme) bal vormen. Samen met staartmezen zijn boomkruipers de enige vogels die dit gedrag op grote schaal vertonen.
Tegen de schemering zoekt de boomkruiper zijn slaapplaats op. Als je die weet te vinden, kun je hem er gemakkelijk in zien zitten. Bij regelmatig gebruik is de boomschors onder het hol bedekt met veel vogelpoep omdat hij zijn staart buiten boord laat steken.
Geluid
Een boomkruiper heeft diverse zachte meesachtige roepjes. Zijn zang is een hoog, sierlijk melodietje van maar vijf tot zeven noten. TIE TIE toewie tiTIE en zijn roep een zacht, hoog “tsri”. De boomkruiper kan zowel zingen vanaf een zangpost hoog in de boomkruinen of vanaf een zijtak, maar ook in de vlucht of al foeragerend. De zeer hoge, ijle trillers en vaak onopvallend, beetje ijl klinkend siet-siet zijn net zo moeilijk te horen als het ontdekken van dit onopvallende vogeltje.

Naamgeving
Certhia is de Latijnse naam voor een kleine boomvogel, en brachydactyla is afgeleid van het Grieks voor ‘kort’ (brakhus) en ‘vinger’ of ‘teen’ (dactulos).
In Vlaanderen heeft de boomkruiper als bijnaam ‘de marconist’, omdat zowel de zang als de roepreeks doen denken aan morseseinen. De naam Sietkruperke (Twe) is het element ‘siet’ een klanknabootsing van de scherpe meesachtige geluidjes die hij soms maakt.
Aan de manier waarop hij als een specht tijdens het klimmen op zijn wigvormige staart steunt dankt hij z’n naam houtspechtje. Veel volksnamen van de Boomkruiper vinden hun oorsprong in die energieke klimwijze zoals boommuis, kruiperke (L), klampvogeltje (NB) of beamkladderke (Fr).
Talrijke broedvogel
De boomkruiper is een echte standvogel. Veel vogelsoorten die afhankelijk zijn van vliegende insecten trekken in het najaar en de winter weg omdat die ’s winters nauwelijks beschikbaar zijn. De boomkruiper kan echter jaarrond in Nederland aan zijn kostje komen omdat hij gespecialiseerd is in het zoeken naar kruipende insecten die in spleten en holtes leven. Doordat de bossen in Nederland steeds ouder worden, neemt het aantal boomkruipers toe. Ook parken en tuinen met veel bomen en planten zijn geliefd. In ons land broeden tussen de 135.000 en 180.000 paartjes.
Nest
De boomkruiper legt eitjes vanaf april. Het kleine komvormig nestje van takjes, mos en veren wordt door beide ouders gebouwd achter loszittende boomschors, in spleten en nauwe boomholten en tussen klimopbegroeiing op bomen en schuttingen. Ondanks dat de boomkruiper graag zelf zijn nestje bouwt, maakt hij ook wel gebruik van een nestkast. De ingang van zo’n kast bevindt zich bovenin aan de achterkant. Om mezen te ontmoedigen liggen er op de bodem slechts twee gekruiste tralies. Het nestmateriaal van de mezen valt hier doorheen. De boomkruiper begint de bouw echter met een aantal takken die blijven steken op de tralies. Van april tot in juni zijn er meestal 2 legsels van 5-7 eieren. Het vrouwtje broedt ze in haar eentje in ruim twee weken uit. Het mannetje helpt wel mee met voeren en na zeventien dagen vliegen de jongen uit. Uitgevlogen jongen worden zo’n 1 tot 3 weken gevoerd door de ouders.

Foto rechts: Saxifraga-Willem van Kruijsbergen
Bijvoeren
Bij strenge winters kun je de boomkruiper helpen met zaden die je het beste onder struiken en bomen kunt strooien en tegen een boomstam een voederplekje te maken door wat vogelpindakaas (met meelwormen er in) tegen de stam te smeren omdat hij voor een voedertafel te schuw is. Je kunt er wel voor zorgen dat er voor hem veel insecten in de tuin te vinden zijn door de tuin een beetje rommelig te laten.
Terug naar de natuurnieuwsbrief van november |