Natuurnieuwsbrieven

vervolg van Natuur Plus december 2020:  Wintertaling
(scroll tot onder het formulier)

Elke maand verschijnt er een nieuwe aflevering met natuurnieuws. U kunt de aangeboden informatie vrij gebruiken, maar wel graag met bronvermelding.

Klik hier voor Natuur Net Nieuws van de maand december.
Hieronder kunt u het afgelopen jaar nog eens bekijken/lezen.

NNN dec ’19, NNN jan ’20, NNN februari ’20, NNN maart ’20, NNN april ’20, NNN mei ’20, NNN juni ’20, NNN juli/augustus ’20, NNN sept ’20, NNN okt ’20, NNN nov ’20

stippellijn

U kunt zich aanmelden voor een gratis abonnement op Natuur Net Nieuws via onderstaand formulier.

stippellijn

Niet meer ontvangen?
Als u de nieuwsbrief niet meer wilt ontvangen, kunt u een mail sturen naar:
info@groen-natuurlijk.nl

stippellijn

vervolg van Natuur Plus september 2020:  Wintertaling

Geluid
De muzikale kenmerkende roep van het mannetje klinkt als ’wuu wuu’, ‘kriek-kriek’ of ‘kruuk-kruuk’, het vrouwtje heeft een korte hoge schelle kwaak. Groepen baltsende vogels in het voorjaar veroorzaken een koor van bellende geluiden en hoge fluittoontjes. Wintertalingen zijn ‘s nachts actief en maken dan veel herrie. Voor het geluid: klik hier

Naam
Anas is het Latijnse woord voor Krekeend, Krikeend of Krikke.
De herkomst van ‘taling’ is onbekend. Houvast bieden de oude Deense naam Atling = ‘eendje’ en het uit Scandinavië afkomstige kylling (uitspraak: tsjilling), dat o.a. kuiken betekent en zo het ‘kleine’ of ‘tengere’ van de soort weergeeft.
Wintertalingen werden vroeger ook wel halfkes genoemd omdat de kooiker maar de helft kreeg betaald voor een wintertaling in vergelijking met de opbrengst van een dikke wilde eend, smient of krakeend. De nabootsing van de voorjaarsroep van de woerd is behalve in de wetenschappelijke soortnaam ook weergegeven in de namen Krik(je), Kriek, Winterkrik, Kroet, Rietkroet en Winterkrikkien.

Gedrag
Wintertalingen zijn over het algemeen erg schuw. Al bij het minste onraad duiken ze snel het riet in of gaan er helemaal vandoor. Dan gaan ze loodrecht omhoog en schieten weg in een snelle vlucht. Ze vliegen in onregelmatige, dichte zwermen en maken voortdurend onverwachte wendingen. Ze stijgen en dalen zonder ophouden en tonen om beurten hun lichte onderkant en donkere bovenkant. Ze tonen hun uitstekende vliegkunsten soms ook in een strakke formatie die behendig manoeuvrerend de begroeiing ontwijkt. Ze vliegen erg snel en door hun vlugge vleugelslagen lijkt het alsof ze altijd haast hebben. De snelst gemeten snelheid van deze vogel bedraagt maar liefst 109 km/h.

Voedsel
Wintertalingen zoeken hun voedsel vaak zwemmend in ondiepe vijvers en plassen met hun kop onder water. Met knabbelende snavelbewegingen zeven ze in de herfst en winter voornamelijk kleine zaden van water- en moerasplanten uit het water en eten grassen en landbouwgewassen. ‘s Zomers, gedurende het broedseizoen, hebben ze een voorkeur voor dierlijk voedsel zoals slakken, insectenlarven, waterkevers en garnaaltjes. In brak water is het belangrijkste voedsel fonteinkruid en de vruchten van zeekraal. In zoet water de vruchten van waterbiezen en kruipende boterbloem. In dieper water gaan ze vaak over tot grondelen.
Foto links: Harvey van Diek

Doortrekker en wintergast
Vooral het merenland Finland herbergt enorme aantallen wintertalingen, gevolgd door Zweden, Noorwegen en het westen van Rusland. Noordelijke populaties trekken ver, terwijl zuidelijker populaties het hele jaar op dezelfde plek blijven of over kleine afstand trekken. In oktober trekt de wintertaling richting Middellandse Zee en midden- en oostelijk Afrika. Eind februari wordt met de tocht terug naar het noorden van Europa begonnen.
Wintertalingen zijn het hele jaar bij ons te zien, maar van augustus tot april is het een algemene doortrekker en wintergast; de soort verzamelt zich dan in grote aantallen op onze wateren. De Waddeneilanden zijn wintertalinggebied bij uitstek.

Waterrijke moerassige gebieden met een welige begroeiing van de oevers zoals kleine zoetwatermeren en langzaam stromende rivieren vormen het leefgebied van de wintertaling, maar alleen op de voorwaarde dat het er rustig is en er geen watersport en recreatie plaats vindt.

Broeden
Wintertalingen voeren een vaak ingewikkelde balts uit. Mannetjes jagen elkaar soms over flinke afstanden achterna. Tijdens het baltsvertoon houdt de woerd op karakteristieke wijze zijn kop en staart omhoog. In de periode 1998 – 2000 broedden er nog zo’n 2000 tot 2500 paren in Nederland. Helaas komt dit steeds minder voor in Nederland. Belangrijke oorzaken voor het afnemen van de aantallen broedende wintertalingen zijn verdroging, verzuring en vermesting. Door verdroging van natte heidegebieden neemt de betekenis als broedgebied sterk af, door vermesting en verzuring verandert de vegetatie (vergrassing van natte heiden, met name door pijpestrootje, is een groot probleem). Ze broeden van midden april tot juli, zowel in de buurt van zoet als brak water. Ze nestelen bij voorkeur op kleine eilandjes en hebben een voorkeur voor (duin)meren of poelen in een beboste omgeving met dichtbegroeide oevers. Het nest ligt in de omgeving of aan de rand van het water. Vaak verbergen ze het onder de takken van lage bosjes.

Het vrouwtje gebruikt voor het maken van het nest materiaal dat zij in de omgeving aantreft. Ze vormt met haar borst een diepe, gelijkmatige kom en bekleedt deze met fijne, droge plantendelen. Net als andere eenden brengt zij in het nest donsveertjes aan, waardoor spoedig een luchtige, zachte krans rond het nest ontstaat. Het wijfje broedt de 5 tot 12 geelgrauwe eieren in drie weken alleen uit en verzorgt de jongen. De wantrouwige woerd bezoekt het nest nooit en de eend vertoont afleidend gedrag als men het nest nadert. De jongen zwemmen zelden in open water. Ze worden niet gevoerd maar gaan onder begeleiding van de moeder spoedig na het uitkomen naar het water. Het mannetje bemoeit zich hier totaal niet mee. Het vrouwtje houdt zich met de jongen overdag tussen de waterplanten verborgen en laat zich alleen ‘s morgens vroeg en tegen zonsondergang op open watervlakten zien. De jongen verzamelen ijverig waterinsecten en andere kleine waterdieren aan het wateroppervlak. Ze vliegen na 23 dagen.

Tijdens en direct na de broedtijd concentreert de soort zich in augustus in de Biesbosch, het Lauwersmeer, de Dollard, het Waddengebied en zuidelijk Flevoland om te ruien. In de Biesbosch verblijven in de winter makkelijk vier- tot vijfduizend wintertalingen en zie je regelmatig grote groepen wintertalingen opvliegen. Meestal is er dan gevaar en vliegt er een slechtvalk of zeearend over het gebied. Maar hun grootste vijanden zijn droogte en vorst. Wintertalingen worden gemiddeld 3 jaar (maximaal 21 jaar)

Terug naar de natuurnieuwsbrief van december